In bijna elke Nederlandse huisartsenpraktijk kunnen mensen met mentale problemen terecht bij een zogeheten praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg (POH-GGZ). Die moet de druk op de ggz verminderen door mensen eerst te behandelen bij de huisarts, voor ze naar de gespecialiseerde ggz gaan. In de praktijk is het positieve effect daarvan veel minder groot dan gedacht, blijkt uit onderzoek van Roger Prudon, econometrist en universitair docent aan de Britse Lancaster University, woensdag gepubliceerd in economenvakblad ESB.
Zijn onderzoek wijst erop dat de inzet van praktijkondersteuners niet aantoonbaar helpt om de mentale gezondheid van Nederlanders te verbeteren. De invoering van de POH-GGZ heeft zelfs direct geleid tot meer druk op de zorg, durft Prudon „zeker wel” te stellen.
Praktijkondersteuners behandelen namelijk vooral mensen die eerst helemaal geen psychische hulp zouden krijgen voor hun problemen, ziet de onderzoeker. „Ik zie niet dat de groep die nu door de POH-GGZ behandeld wordt minder vaak in de ggz terechtkomt. De ernst van hun problemen is ook niet lager als ze bij de praktijkondersteuner zijn geweest.”
De gedachte was dat mensen door een praktijkondersteuner op termijn minder problemen krijgen. Dat vind ik niet terugRoger Prudononderzoeker Lancaster UniversityDe zorgkosten dalen ook niet, zegt Prudon. Mensen die zowel de praktijkondersteuner als de ggz bezoeken ontvangen dubbele zorg. De behandeling die zij krijgen in de ggz is niet goedkoper omdat hun problemen niet afnemen, terwijl ze al een POH-GGZ hebben gezien. Prudon: „De gedachte was dat mensen door een praktijkondersteuner op termijn minder problemen krijgen. Dat vind ik niet terug.”













