Wandelen met mijn vrouw gaat vaak beter dan praten. Op zo’n wandeling is altijd iets te zien dat geen taal nodig heeft. Bijvoorbeeld laatst die moedereend die met haar vijf gave kindjes stilletjes en roerloos vanaf de kaderand naar het water zat te kijken. Ik maakte er meteen zo’n foto van die later nooit helemaal het gevoel kan oproepen dat je op het moment zelf onderging.

Praten valt ons moeilijker omdat we niet meer dezelfde taal spreken. Zij zegt veel, maar zet de woorden in een willekeurige en daardoor vaak onbegrijpelijke volgorde. Mijn zinnen zijn weer te ingewikkeld voor haar, hoe beknopt ik ze ook probeer te houden. Gelukkig raken we elkaar nog steeds graag aan, wat veel goedmaakt.

Na terugkomst op haar kamer in het verpleeghuis zocht ik op mijn mobieltje wat muziek op. Een lezer had me een tip gegeven over een artiest van wie ik nog nooit had gehoord: Stephen Foster (1826–1864), ook wel de vader van de Amerikaanse muziek uit de negentiende eeuw genoemd. Hij is de schrijver van zo’n tweehonderd songs die voor een deel nog steeds bekend zijn, zoals Oh! Susanna, Hard Times Come Again No More, Beautiful Dreamer, Swanee River, My Old Kentucky Home, Jeanie with the Light Brown Hair. Foster stierf straatarm, want met liedjes viel toen nog niet veel te verdienen.