Na de Eerste Wereldoorlog waren de Fransen zo bang voor een nieuwe Duitse aanval dat ze langs de grens met Duitsland de Maginotlinie bouwden – een 750 kilometer lang verdedigingsstelsel van forten en bunkers met ondergrondse spoorlijntjes, hospitaals en krachtcentrales. Daarna voelden ze zich veel veiliger. Hoe het verder ging, is bekend: in 1940 gingen de Duitsers doodleuk om de Maginotlinie heen en trokken ze Frankrijk via Luxemburg, Nederland en België binnen. In zes weken tijd was Frankrijk verslagen.

In een opmerkelijke lezing in Wenen, begin mei, vergeleek de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev dat bijna mythische geloof van de Fransen in de Maginotlinie destijds met de hardnekkigheid waarmee de Europeanen zich tegenwoordig voor hun veiligheid aan de NAVO blijven vastklampen. Krastev vreest dat historici in de toekomst concluderen „dat het Europese vertrouwen in de NAVO de Europese, mentale Maginotlinie is geworden. Een psychologische kruk die een vals gevoel van veiligheid creëerde en Europa ervan afhield om zich op existentiële bedreigingen voor te bereiden.” Hij wil niet dat „Europa ten prooi valt aan een gebrek aan voorstellingsvermogen.”

Dat gebrek aan voorstellingsvermogen is inderdaad precies wat er dezer dagen in het geding is. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben de Amerikanen zorg gedragen voor de veiligheid van West-Europa. Dat deden ze niet alleen omdat ze Europeanen zo aardig vonden. Ze deden het vooral uit eigenbelang, om een dam op te werpen tegen het communisme dat Midden- en Oost-Europa al had veroverd. En als er bovendien een (nucleaire) clash met de Sovjet-Unie zou komen, zou die Amerika niet bereiken maar plaatsvinden op het Europese continent.