In de verzengende hitte verzamelt het publiek zich midden op de dag op een zandafgraving in Castricum, waar actrice Manja Topper in knalroze outfit in een berg zand zit ingegraven. Ze speelt Winnie in Happy Days (1961) van Samuel Beckett. Ondanks haar nogal beperkte bewegingsvrijheid (later zal ze zelfs tot aan haar nek in het zand zitten) en het feit dat, zo vertelt ze, elke dag een kopie is van de vorige, is ze vastberaden haar dag zo positief mogelijk tegemoet te treden.
Haar man Willie (Marien Jongewaard), die zich vaak net buiten haar gezichtsveld begeeft, hoeft maar een enkel woord tot zijn vrouw te richten en geluk overspoelt haar. Communicatie kun je het nauwelijks noemen, wat er tussen de twee plaatsvindt – maar zou hij er niet meer zijn, al was het enkel maar als potentieel registrerende macht, wat zou er dan nog van Winnie overblijven? Besta je nog wel, vraagt Beckett met zijn stuk, als er niemand is om je bestaan op te merken, je gedachten tot zich te nemen? Waarom zou je nog opstaan, in de ochtend, je tanden poetsen, je haar kammen? Winnie huivert bij het beeld dat ze, zonder Willie, enkel nog ‘met samengeknepen lippen voor [zich] uit [zou] staren, de hele dag’.
Topper illustreert Winnies onvermoeibare optimisme met een strakke glimlach die haar gezicht nauwelijks verlaat. Wanneer het gebrek aan respons Winnie te machtig wordt, schieten Toppers woorden, in ijltempo uitgesproken, de kopstem in, wat ze een aangezet meisjesachtig timbre geeft. Dit past weliswaar bij de weerstand van het personage tegen het ouder worden en het verlies dat daarmee gepaard gaat, maar maakt het ook moeilijker de subtiliteiten in Becketts tekst te horen. Het resulteert erin dat Toppers Winnie zich eenvoudiger laat lezen als een ernstig verward individu dan als een tragische uitvergroting van de strijd die we allemaal vanaf een bepaald moment leveren, tegen het oprukkende bewustzijn van onze eigen eindigheid, en de diepe eenzaamheid die daarmee gepaard gaat. Geen woordenvloed, hoe breed ook de glimlach die erbij wordt opgezet, die daartegen is opgewassen.










