Gehuld in blauwe capes („We lijken wel leden van een sekte”, fluistert iemand) wordt het publiek een grote, witte koepeltent in geleid, die op de parkeerplaats van een tuincentrum in Utrecht is opgebouwd. In het centrum van die tent: een grote, ronde bak vol klei. Tien ton ervan, lees ik op de website, plus nog vijfhonderd liter water. Als publiek val je door de capes (ter bescherming van je kleding, zo zal blijken) bijna weg op de kobaltblauwe tribune, die in een cirkel rondom de bak is opgesteld. Een felle lamp (lichtontwerp Julian Maiwald) maakt kloksgewijs rondes rondom de kleibak. In de klei: twee performers.
Hij (Sjaid Foncé) lijkt door het materiaal te willen worden omhuld. Onvermoeibaar duikt hij erin, althans, dat lijkt de intentie, maar de klei is stug en weerbarstig, zijn landing telkens abrupt. Zij (Goda Žukauskaitė) heeft in de klei een waterpoeltje gevonden, waarin ze zich wentelt. Hier heeft het materiaal een andere consistentie, het laat zich traag met een arm doordringen, we zien het glimmen, horen hoe het sopt en zuigt en klotst. Minuten later, de twee zijn zich steeds uitbundiger tot de stugge massa gaan verhouden, zijn er in de roterende schijnwerper opeens twee onderbenen zichtbaar, die uit de klei omhoog steken. Ze horen bij performer nummer drie (Niels van Heijningen). De klei trilt en schokt.













