Over een grindpad tussen roestende ranches en blakende nieuwbouwvilla’s scheuren tieners van een nabijgelegen inheems reservaat op een namiddag in april op hun quad voorbij. Een zwartstaarthaas schiet een bosje stepperollers in. Dan houdt de onverharde weg abrupt op en begint de woestijn, waar in de ondergaande zon metershoge saguarocactussen lange schaduwen vooruitwerpen.
Precies deze rust en ruimte zocht Kyler Treguboff toen hij zes jaar geleden naar de bergwoestijn van Arizona verhuisde. „De pandemie was net uitgebroken en ik vond het meteen geweldig hier. Niemand aan je kop”, vertelt de installateur van brandwerende installaties voor de garage van zijn eenlaagse woning. „’s Nachts kon je vaak de Melkweg zien, met het blote oog. Nu eigenlijk nooit meer.” Met een armgebaar wijst hij de schuldige aan – in het oosten, waar metropool Phoenix in de verte oplicht. „De stad rukt onze kant op.”
Binnenkort zal het helemaal gedaan zijn met de sereniteit van dit voorstedelijke rafelrandje in de woestijn. In de directe achtertuin van Treguboff en enkele tientallen buren moet een 25 miljard dollar kostend datacenter komen met een oppervlakte van 5 tot 7 miljoen vierkante voet (46 tot 65 hectare) en 1,5 gigawatt aan vermogen. Eenmaal afgebouwd zal het project – vernoemd naar de nabijgelegen Hassayampa Ranch – gehuurd worden door een nog onbekende, maar grote speler op het gebied van kunstmatige intelligentie. Het is slechts een van de tientallen gigantische computerhallen die in de VS uit de grond worden gestampt nu het land vol inzet op extra rekenkracht voor AI.







