Parijs is nooit decor alleen. Of het nu The Ambassadors (1902) van Henry James is of Emily in Paris (vijf seizoenen Netflix), hoge cultuur, lage cultuur, maakt niet uit – zodra Angelsaksische personages in Parijs belanden, raken ze losgewoeld van zichzelf, breken ze met vastgeroeste gewoontes en leren ze opnieuw kijken, naar hun omgeving, maar vooral naar zichzelf. Parijs in de kunst is een subtiele transformerende kracht, die geen personage onaangeraakt laat.
My Year in Paris with Gertrude Stein, de nieuwe roman van de Engels-Zuid-Afrikaanse schrijver Deborah Levy, voegt zich even monter als zelfbewust in deze traditie. Hartstochtelijk zelfs, zou je kunnen zeggen, want de Parijse transformatie, het losbreken uit de gevangenis van het benauwde zelf, wordt hier tot het onderwerp zelf gemaakt.
De ik-persoon, die in veel opzichten samenvalt met Levy zelf, leidt een typisch Angelsaksisch expat-leven in de lichtstad, waarin Parijzenaars slechts een beperkte rol hebben. Ze heeft twee vriendinnen, Eva en Fanny, waarmee ze vrijwel dagelijks optrekt. Ze drinken, kletsen, eten. Eva heeft een huwelijk op afstand met haar Amerikaanse echtgenoot, de Française Fanny houdt er verschillende vrouwelijke minnaars tegelijk op na, en o ja, de kat van Eva neemt ineens de benen. Eigenlijk is het allemaal niets bijzonders.









