Ze hadden geweldige bijnamen, de mannen van de oude Amsterdamse penoze. Neem onderwereldkoning Frits van de Wereld. Die heette naar het door hem gerunde café aan de Zeedijk en werd rijk met gokken, bordelen en een „klein bootje met hasj”. Dan was er wapenhandelaar Pistolen Paultje, die al als scholier al zijn geld uitgaf aan wapens. En natuurlijk Zwarte Joop, met zijn rovershaar en woeste baard, die ver buiten de hoofdstad bekend werd door zijn seksclub Casa Rosso aan de Oudezijds Achterburgwal. Zijn leven wordt momenteel verfilmd door Tim Oliehoek in de serie Koning van de Wallen die eind volgend jaar op tv wordt verwacht. Over cannabiskoning Henk de Vries werd vorig jaar de serie Amsterdam Empire gemaakt, waarin zijn beroemde coffeeshopketen The Bulldog voor het gemak The Jackal werd genoemd.
De geschiedenis van de Amsterdamse penoze bestaat uit sterke verhalen die bij nader inzien niet zo sterk waren als ze leken, zoals misdaadjournalist Arnold-Jan Scheer opmerkt aan het begin van zijn documentaire Het hart van Amsterdam. Fictie dreigt de zaken vaak te romantiseren. De geïdealiseerde mores van vechtersbazen die met de pet rond gingen als iemand in de buurt krap zat, zijn ook gewoon dodelijke erecodes en een zwijgcultuur met veel verliezers. Niet iedereen met Amsterdamse branie is automatisch een held.















