Bevend over haar hele lichaam, haar sproetige oren flapperend van angst, werd de Sosankalli – ‘ontluikende lelie’ in het Hindi – met een draagriem en een katrol neergelaten vlak voor de kust van het huidige Tanzania. De hoop was dat ze naar de kust zou zwemmen zodra ze die zag. „In plaats daarvan schoot ze in paniek, trompetterde ze en probeerde ze drie kwartier terug aan boord van de Chinsura te klimmen”, beschrijft de Britse journalist en schrijver Sophy Roberts de meidag in 1879, toen vier tamme olifanten voor het eerst voet aan wal zetten in Afrika, na per stoomschip vanuit India te zijn aangevoerd.

De operatie was opgezet in opdracht en op kosten van de Belgische koning Leopold II. Hij wilde de vier olifanten en hun mahouts – olifantentemmers – overbrengen naar het Tanganyikameer, dat grensde aan het enorme deel van Afrika waarop hij zijn oog had laten vallen als toekomstig wingewest, en waaruit al veel ivoor werd aangevoerd. Leopold wilde ook een deel van die „weelderige Afrikaanse koek”, zoals hij schreef, waar de inzet van tamme olifanten enorm bij zou helpen. Die konden immers 270 kilo dragen, had Leopold begrepen, evenveel als negen dragers, „die elk moment het hazenpad konden kiezen” of ziek worden.