De uitslag van de regionale verkiezing in Andalusië op zondag is uitgelopen op een teleurstelling voor de twee grootste partijen in Spanje. De socialistische PSOE van premier Pedro Sánchez zakte verder weg naar 28 van de 109 zetels, een historisch slecht resultaat in de regio met het grootste inwonertal van Spanje (8,6 miljoen van de bijna 50 miljoen inwoners).
Het is de vierde regionale verkiezing in vijf maanden waarbij de PSOE fors verliest (na Extremadura, Aragón, en Castilië en León), en de laatste voor de parlementsverkiezingen, die volgend jaar op de agenda staan. Als troost werpen landelijke politici vaak tegen dat elke regio zijn electorale eigenaardigheden kent en dat de uitslag daarom weinig voorspelt voor landelijke verkiezingen, maar deze trend moet haast wel zorgen baren.
Extra pijnlijk voor de partij van Sánchez is dat de regio sinds het begin van de Spaanse democratie eind jaren zeventig juist overtuigend socialistisch stemde. Pas in 2018 werd de PSOE er voor het eerst door (centrum)rechtse partijen buiten de regering gehouden. Vier jaar later verstevigde de conservatieve Volkspartij (PP) haar greep op de regio door er zelfs een absolute meerderheid te behalen.
Sánchez stuurde de Sevillaanse vicepremier en zijn minister van Financiën María Jesús Montero eerder dit jaar naar Andalusië om het tij te keren, maar dat mocht niet baten. Hoe populair Sánchez op het internationale toneel ook is, zijn PSOE verloor zondag nog twee zetels ten opzichte van de vorige verkiezing.











