In het Statenlokaal, het café van de Tweede Kamer, zit op vrijdagochtend een vrouw met op haar jasje een sticker van de beveiliging: ‘Bezoeker’. Ze is in haar eentje. Marianne Kraaijeveld, zo heet ze. In 1981 was ze secretaresse geworden in de Tweede Kamer, de laatste jaren ondersteunde ze de commissie met Kamerleden die over de zorg gaan. Ze heeft, zegt ze tegen mij, net haar laptop, telefoon en toegangspas van de Tweede Kamer ingeleverd. „Nu ben ik met pensioen.”
Bij de bar raakt ze aan de praat met Laurens Dassen van Volt, die koffie haalt voor zijn medewerkers. Ze vertelt hoe de Tweede Kamer vroeger was: „Iedereen kon zomaar naar binnen lopen.” En zegt dat ‘haar’ commissie over anderhalve week weer vergadert over de brieven, de werkbezoeken en debatten. Ze gaat het online volgen. „Voor jullie”, zegt Dassen, „is de Tweede Kamer dus net zo verslavend als voor politici.”
In het dorp Tweede Kamer is het Statenlokaal het dorpsplein. En ook daar kun je de Haagse politiek komen bekijken. In de rij voor de koffie, vorige week donderdag, omhelst een Kamerlid van de VVD een oud-Kamerlid van de VVD, nu lobbyist voor de online gokbranche. De burgemeester van Staphorst zit te wachten tot een Kamerlid van de SGP langskomt. Bij de leestafel staat een CDA’er die altijd alleen lijkt te zijn.








