Het is dinsdagochtend 30 juni. In de Utrechtse rechtbank gebaart de rechter dat Anderson Carvalho, die al een uur lang roerloos achter in de zaal zit, het woord mag nemen. Hij recht zijn rug en gaat naast zijn advocaat zitten. „Ik sta hier vandaag niet alleen voor mezelf”, zegt hij. „Maar ook voor vele jonge kunstenaars van wie het creatieve werk, het vertrouwen en de kwetsbaarheid maar al te vaak zijn uitgebuit.”

De danser en choreograaf (1988) vertelt dat hij uit Brazilië komt, en opgroeide in armoede. In de favela’s leerde hij „de waarde van waardigheid, van eerlijkheid en respect voor wat aan een ander toebehoort”. Hij leerde, zegt hij, dat je niet mag nemen wat niet van jou is, óók als je maar heel weinig hebt.

Toch is juist dát hem overkomen, zegt Carvalho met trillende stem. „Mijn artistieke werk is zonder mijn toestemming gebruikt bij subsidieaanvragen in Nederland. Tegelijkertijd werd de indruk gewekt dat mijn werk niet in aanmerking kwam voor financiering. Dit heeft niet alleen geleid tot professionele schade, maar ook tot emotioneel en psychisch lijden.”

Wiens verdienste is creatief succes? Van het talent dat een eigen visie en choreografie tot leven brengt op een podium? Of van de instelling die dat talent in een vroeg stadium een podium bood en artistiek en financieel ondersteunde? Deze vragen vormen de kern van het conflict dat voorligt. Volgens Carvalho pronkt DOX, een Utrechts productiehuis „voor jonge makers en performers op het snijvlak van theater, dans, muziek, film, hiphop en spoken word”, met zíjn veren.