Als invasieve exoten doken teksten en video’s van machinale makelij de afgelopen jaren op in tal van domeinen van de samenleving. Moderne taalmodellen maakten massaproductie van tekst, ontwerp en computercode mogelijk. Soms was dat handig, en zo nu en dan zelfs emancipatoir omdat het mensen kon helpen zich te uiten. Maar veel mensen hielden er toch ook een wrang gevoel aan over. Want wat is nog de waarde van content, als het in een handomdraai door een machine gegenereerd kan zijn?
Overal waren de gevolgen zichtbaar. Diploma’s leken aan inflatie onderhevig, door de immer onbeantwoorde vraag in hoeverre AI verantwoordelijk was geweest voor de papers die studenten hadden moeten inleveren. Door AI vormgegeven posters en logo’s rukten op in het straatbeeld. Wetenschappers betogen zelfs dat laagwaardige, met kunstmatige intelligentie gemaakte content (inmiddels bekend onder de term AI-slop) leidt tot „epistemische vervuiling” die onze kennisstructuren ondermijnt. Als AI-slop welig blijft tieren, waarschuwen ze, kan het menselijke creativiteit verdrukken en het maatschappelijk debat beïnvloeden.
Niet gek dus dat AI-slop een gehaat symbool is van deze tijd, waarin kunstmatige intelligentie rap gemeengoed is geworden.






