De kranten staan er bol van: de impact van kunstmatige intelligentie op de samenleving. Zo ook NRC. Van zelfrijdende auto’s die brokken maken in het verkeer, van AI-systemen die naaktbeelden genereren van echte mensen, van de onheilspellende AI-hacker Mythos, van transformatie van de rechtspraak en fertiliteitstrajecten, van de globale AI-race, en van ons afkalvende vertrouwen in onze eigen intelligentie. AI beukt van alle kanten in op de samenleving. Een heel leger aan beleidsmakers, adviseurs, en promovendi houdt zich bezig met de ethische vragen die dat met zich meebrengt. Nog nooit was er zoveel aandacht voor ethiek rondom technologie als nu met AI. En terecht.
Het probleem is dat die aandacht voor de ethische vragen zich vrijwel exclusief richt op de gevolgen voor mensen. En vooruit, soms het klimaat – als het gaat over de gevolgen voor óns. Maar mensen zijn niet de enigen wier levens beïnvloed worden door AI. Ook voor dieren heeft deze technologie verregaande gevolgen, positief en negatief.
AI kan bijvoorbeeld worden gebruikt om trekpatronen van wilde dieren in kaart te brengen zodat daar rekening mee gehouden kan worden bij het aanleggen van infrastructuur, en om de kans op stropersactiviteiten te voorspellen en te onderscheppen. Mogelijk kunnen er met behulp van AI alternatieven voor dierproeven worden ontwikkeld en vervangt de roborat straks de labmuis.









