De film AI, die Steven Spielberg begin deze eeuw maakte, was een tranentrekker over een robot die een echt jongetje wilde zijn. Pinokkio, maar dan niet van hout en niet gebaseerd op tovenarij, maar op de modernste technologie. Een poging te verbeelden waartoe AI zou kunnen leiden.
Een kwarteeuw later lijkt het risico eerder dat de technologie mensen richting machines duwt, in plaats van omgekeerd. De smartphone, waarmee we versmolten lijken te zijn (en waarop ik tijdens een congres ook dit zit te tikken), bepaalt in toenemende mate hoe we de wereld zien. De algoritmes die dit wereldbeeld invullen zijn bedoeld om ons te geven wat we vragen zodat we kopen wat ze geven. Het is een extreme vorm van zelfbevestiging die kritisch denken ondermijnt en die uiteindelijk ons vermogen tot empathie zal slopen.
Mensen zonder empathisch vermogen gaan steeds meer op machines lijken. Door te doen wat die machines voorstellen, vullen wij de zakken van de paar mensen die deze machines maken en aansturen. En dat zijn mensen die democratie maar onzin vinden en menen dat de wereld er echt van zou opknappen als zij met hun machines de baas zouden zijn. Lees het maar na, in het recente Palantir-manifest, en denk aan de uitspraken van grote technologieondernemers als Peter Thiel en Elon Musk.















