‘Het is d’r maar eentje. Een mannetje”, constateert René Janssen, wanneer hij om zeven uur ’s ochtends naar de wasberenval aan de rand van een bos bij Noorbeek loopt. Dankzij de wildcamera van de grondeigenaar, die even verderop in een vakwerkhuis woont, weet wasbeerbestrijder Janssen dat over deze wildwissel – een drukbelopen dierenspoor – geregeld een wasbeerfamilie paradeert. En het signaleringssysteem heeft doorgegeven dat vannacht een dier in de val is gelopen.
Er stonden in het bos nog drie andere vallen, maar die bleven leeg. Eén van de kooien is zelfs omgeduwd. Janssen: „Dat lukt wasberen soms. Het zijn slimme en behendige dieren. Ze proberen het blikje met sardientjes in de val te bemachtigen door met hun pootjes van buitenaf door de tralies te gaan. En ze lopen geregeld de kooi in en uit, zonder het mechanisme te raken dat de val laat dichtvallen.”
Soms lopen andere dieren in de val. Janssen: „Steenmarters, huiskatten en één keer zelfs een zeer zeldzame Europese wilde kat. Die dieren laten we dan weer vrij.”
‘Wasberenhoofdstad’ Kassel
Maar wasberen krijgen van de bestrijder geen gratie. Weliswaar lijken de van oorsprong Amerikaanse dieren schattig, met hun grijze vacht en geringde staart, met hun ‘maskertjes’ en voorpoten die iets weg hebben van mensenhandjes, maar „schijn bedriegt”, vertelt Janssen. „Ze bedreigen inheemse, bedreigde diersoorten. Een poel met geelbuikvuurpadden kan in één nacht leeg zijn. Ze veroorzaken schade aan huizen en gewassen. En ze kunnen ziektes overbrengen zoals de wasbeerspoelworm.”







