De bever is een knaagdier zo zwaar als een labrador. Het wonderwezen heeft zowel een vacht als schubben. In 1826 schoten we in Nederland de laatste bever dood. In 1988 hebben we het dier weer uitgezet, in de Biesbosch. Ook prins Bernhard heeft nog twee bevers losgelaten. Inmiddels leven er in Nederland ongeveer achtduizend. Omdat het dier dijken kan ondermijnen, spreken sommigen nu van de ‘probleembever’, maar bevers zijn juist de oplossing voor bijna al onze problemen. Ze beschermen tegen bosbranden, ze beschermen tegen overstromingen. Bovenal zijn bevers gidsdieren: ze wijzen ons de goede weg.

Zodra je een bever loslaat bij een beekje, bouwt die een dam zodat er een poeltje ontstaat. Bevers houden van natte poten, in water kan hij namelijk schuilen. Ook wij verbouwen graag onze omgeving, maar de afgelopen eeuwen deden we het precies andersom: we maakten alles wat nat was droog.

Vooral vanaf de negentiende eeuw ging dat snel. Moerassen moesten plaatsmaken voor landbouwgrond, weelderig uitwaaierende rivieren snoeiden we terug tot strakke smalle kanalen voor de handel. De aarde werd ons wingewest. De Rijn verloor negentig procent van de moerassen en rivierbossen. Het was de tijd van the great drying, het verdorren van de hele wereld, aldus de Amerikaanse rivierkenner Ellen Wohl. Op een droge grond kun je vastgoed bouwen, koeien plaatsen of rechte rijen naaldbomen in de grond prikken.