Ze had advies van Kim Lammers gekregen, twaalf jaar geleden. Xan de Waard was achttien, een middelbare scholier nog, en ze barstte van de zenuwen voor aanvang van haar eerste halve finale. Een kraker tegen Argentinië, bij het WK hockey in Den Haag. „Je moet het gewoon zien als Laren tegen Kampong,” had Lammers, met haar 33 jaar de routinier van de ploeg, gezegd. „Laat alles gaan.”
De Waard vertelde het glunderend, na afloop van die wedstrijd in 2014. Daar had ze de openingstreffer gemaakt, een hard schot met haar backhand. Nederland won met 4-0 en werd later wereldkampioen.
Een droomscenario. Maar je kunt het aan De Waard overlaten om dat moment, twaalf jaar na dato, te relativeren. Tuurlijk, ze had een belangrijk doelpunt gemaakt. „Maar ik denk dat het mijn eerste balcontact van de wedstrijd was”, zei ze kort geleden. Als groentje van de groep en ook nog eens in de spits, niet haar vaste positie, had ze het gevoel dat ze „meer in de weg liep” dan iets toevoegde.
Donderdag hockeyde De Waard (30) – nu zelf met afstand de meest ervaren kracht van Oranje – haar vierde halve finale op een WK. Die werd als vanouds gewonnen (1-0), maar vanzelf ging het zeker niet. De hockeyvrouwen hadden het zwaar tegen een taai België, en kwamen goed weg toen net voor tijd de Belgische gelijkmaker werd afgekeurd door de videoscheidsrechter.














