Een verzameling rode scharen aan de oever van een poldersloot herinnert aan een feestmaal van een blauwe reiger. Het zijn de restanten van meerdere rode Amerikaanse rivierkreeften. Ook verderop langs de sloot liggen kreeftenresten.
In eerste instantie lijkt de sloot in het Zuid-Hollandse Oud Ade er een zoals het westen van Nederland er zoveel heeft: weiland, troebel water en het stikt er van de rivierkreeften. Maar wie naar de details van de sloot kijkt, ziet dat niet alles hetzelfde is. Een deel van de oevers is niet recht, maar loopt schuin het water in.
In het Polderlab van Oud Ade wordt onderzocht of in sloten met schuin aflopende oevers minder rivierkreeften zitten dan in sloten met rechte oevers. "We hebben de eerste resultaten en schuine oevers lijken inderdaad goed te werken", zegt Fleur van Duin, onderzoeker van de Universiteit Leiden.
In schuine oevers kunnen kreeften minder goed holletjes graven, die ze nodig hebben om zich te verbergen. Ook zijn ze mogelijk beter zichtbaar voor roofdieren. Meeuwen, futen en reigers weten de kreeften steeds beter te vinden. "Door het gebrek aan 'woonruimte' is er onderling meer concurrentie en eten ze elkaar soms gewoon op", legt Van Duin uit.









