Niet veel mensen weten dat de gelauwerde acteur Anthony Hopkins (1937) ook een verdienstelijk componist is. Toch schrijft hij al meer dan zestig jaar muziek, waarvan een deel nu uitkomt bij het prestigieuze klassieke muzieklabel Decca. Op het album Life Is a Dream worden Hopkins’ composities uitgevoerd door het Philharmonia Orchestra, onder leiding van Gustavo Dudamel, niet de minste dirigent.

Zoiets schept verwachtingen, die deels uitkomen. De samenstelling van het programma lijkt op een ouderwetse filmvoorstelling. Zo dient de eerste track, ‘Fanfare and March’ als curtain raiser, het moment waarop de gordijnen opengaan voordat de film begint. De laatste track, ‘The Eagle’, is op te vatten als climax en uitloopmuziek tegelijk. Bovendien klinkt ‘The Eagle’ met zijn Oosterse harmonieën als een exotische avonturenfilm uit de jaren vijftig.

Veel composities doen denken aan de pastorale werken van Britse componisten als Elgar, Vaughan Williams en Delius. Vreemd is dat niet, want op het album kijkt Hopkins grotendeels terug op zijn jeugd in Wales. Er is zelfs een compositie die ‘My Fatherland’ heet, met kitscherig koor en een zoete, op cello gespeelde melodie.

Er zit dus veel weemoed en nostalgie in de muziek van Hopkins, waarbij de grens tussen suikerzoete sentimentaliteit en prettige melancholie dun is. Hopkins’ keuze van solo-instrumenten bekrachtigt die hang naar weemoed, met cello, piano, fluit en hobo die herfstige klanken vertolken. Dat werkt het best in de stukken die zijn geboortegrond muzikaal memoreren, zoals ‘Margam’ (de buurt waar Hopkins opgroeide) en de driedelige ‘1947 Suite’. Die begint met ‘Circus’: je voelt de opwinding van een jongetje dat voor het eerst naar het circus gaat, met de piano als lenige acrobaat. Dit is beeldende muziek, met spannend koper. In het tweede deel (‘Bracken Road’) hoor je de optrekkende mist en het derde deel (‘The Plaza’) biedt een jazzy compositie, met raspende trompetten en swingende trombones. Het is een welkome afwisseling op een verder vrij traag en stemmig album.