De zaak
Een vrouw werkt als zorgassistent in een verpleeghuis voor mensen met dementie. Ze verricht vooral met ondersteunende taken, zoals schoonmaken, helpen bij wassen en aankleden en bij eten en drinken. In de nacht van 4 op 5 juli 2025 komt ze ook naar het verpleeghuis, zonder dat ze dienst heeft. Ze bezoekt er urenlang een collega die nachtdienst heeft.
Als de collega met nachtdienst niet op zijn pieper reageert, merkt een andere collega dat de vrouw er is, dat de man bier heeft gedronken en in slaap is gevallen. Wat de consequenties voor hem zijn, vertelt het verhaal niet, maar de vrouw wordt de volgende dag op non-actief gesteld.
Een paar dagen later wordt ze uitgenodigd voor een gesprek met haar leidinggevende en iemand van personeelszaken. Haar wordt gevraagd of ze vaker in de nacht naar het verpleeghuis is gekomen en of ze een relatie met de man in kwestie heeft. Ja, ze heeft een relatie met deze collega, en nee, dit was de eerste keer dat ze in de nacht is langsgekomen. Ze geeft aan in te zien dat ze dat niet had moeten doen.
Haar leidinggevende wil de zaak verder onderzoeken en vraagt haar om haar toegangstag. Die wordt uitgelezen en daaruit blijkt dat ze van maart tot en met juni 2025 liefst dertig keer in de nacht is langsgekomen, steeds als die ene collega nachtdienst had, en vervolgens urenlang bleef. Opnieuw wordt de vrouw uitgenodigd voor een gesprek, en weer wordt haar gevraagd of zij vaker in de nacht naar het verpleeghuis is gekomen. Nee, zegt de vrouw weer, alleen die ene nacht.






