Dino’s die mensen opeten. Het zou nooit mogen vervelen om als smakelijk hapje plots onderaan de voedselpiramide te staan, toch wist de Jurassic Park-filmreeks dat knap saai te maken. Bij Steven Spielberg was de fut er al uit bij deel twee in 1997, daarna draafden zijn digitale dino’s nog bijna dertig jaar zielloos voort, als hamsters in de tredmolen van de formule.
Dus waren de verwachtingen bij The End of Oak Street, ditmaal van regisseur David Robert Mitchell, vooraf bepaald niet hooggespannen. Maar zowaar: het is een enorm leuke popcornfilm met slecht gehumeurde dinosauriërs die vaak verrassend uit de hoek komen. De film is ‘high concept’, dus eenvoudig uit te leggen: anno 1982 bevindt de idyllische buitenwijk Flowervale zich door een rimpeling in het ruimtetijd-continuüm – iets met zonnevlammen – plots in het Jura-tijdperk. Daar wemelt het van de dinosauriërs met veel tanden en klauwen en honger.
Dit Twilight Zone-gegeven wordt voortreffelijk gevisualiseerd in een goed opgebouwde film met veel dynamiek en een voorspelbaar plot. In Flowervale woont namelijk een aardig kerngezin op een breekpunt. Pa, ma, broer, zus en hond: de Platts doen op het buurtfeest gezellig mee met het zaklopen en de limbo, maar pa drinkt stiekem en is zijn baan kwijt en ma typt in de kelder ontgoocheld een roman over een heldin die haar gele koffertje heeft klaargezet om haar gezin te verlaten. De kinderen puberen. De hond heet Starbuck.












