Joris Luyendijk (54) heeft slecht geslapen. Een mug hield hem wakker, vertelt hij na aankomst in restaurant Jules in Amsterdam. „Dat beest liet zich niet doodslaan of vergiftigen. Ongelóóflijk hoeveel impact een mug heeft.”

Hij trekt zijn colbert uit, een kledingstuk dat hij zelden draagt, maar waar hij niet zonder kon bij een lezing voor bankmedewerkers op de Zuidas, kort voor onze ontmoeting. „Ik kwam daar om hun weerstand af te breken tegen het soort zelfonderzoek dat ik voor mijn boek De zeven vinkjes heb gedaan. Dan moet je met je kleding de afstand zo klein mogelijk maken.” Sinds kort is hij fulltime activist en schrijver, zijn perskaart – hij was dertig jaar journalist – heeft hij in mei ingeleverd om zich te kunnen inzetten voor Oekraïne.

De zeven vinkjes (2022) gaat over de kleine groep mannen (3 procent van de Nederlandse bevolking) die nooit te maken heeft gehad met uitsluiting of discriminatie: wit, hetero, met een gymnasium- of vwo-diploma, een universitaire opleiding en minstens één hoogopgeleide, in Nederland geboren ouder. Deze mannen worden volgens Luyendijk geïdealiseerd vanwege hun privileges, terwijl ze belangrijke kwaliteiten ontberen.

Cabaretier en schrijfster Lisa Loeb (37) appt dat ze wat later is. Terwijl we wachten vertelt Luyendijk wat hij heeft geleerd van Loebs boek Fopfeminisme (2026), waarin zij de mythe ontkracht dat Nederland een gidsland is in gendergelijkheid. „Ik wist niet dat Nederland door de verzuiling nooit een verenigde vrouwenbeweging heeft gekend. Dat daar vanuit links weinig steun voor was. En dat de systematische onderdrukking van vrouwen in Nederland een recent verschijnsel is, als je kijkt naar de eeuwen hiervoor. Dat heb ik nooit op school geleerd, terwijl ik wél oud-Grieks kreeg. Bizar.”