De eerste keer in de kliniek was ik kampioen broodjes smeren. Niemand gebruikte die exacte woorden, maar dat was ook niet nodig. Iedereen kon zien dat ik er in vergelijking met de rest bijzonder goed in was – zo goed dat zowel therapeuten als groepsgenoten hun bewondering uitspraken voor mijn voortvarende smeertechniek.

Die zag er als volgt uit: ik draaide mijn linkerhandpalm omhoog, kwakte daar een snee brood op en bracht dan uit de losse rechterpols margarine aan. Margarine smeren was verplicht, tot ontzetting van velen. Er waren zelfs plaatjes beschikbaar die lieten zien wat de juiste hoeveelheid margarine was. Die konden de therapeuten, die ons strak in de gaten hielden tijdens elke maaltijd, te allen tijde tevoorschijn trekken: kijk, zó hoort je boterham eruit te zien.

Als de smeerpolitie even wegkeek, was er steevast iemand heel geniepig en vlug wat beleg over een margarineloze fabrieksboterham aan het smeren. Dat noemden we ‘smokkelen’. Dat er pogingen werden ondernomen tot gesmokkel met margarine was een van de zekerheden van ontbijten of lunchen in de kliniek. Bij het avondeten waren er weer andere tradities, bijvoorbeeld dat er werd gehuild wanneer lasagne op het menu stond. Dat had iets te maken met de samenstelling van de bechamelsaus.