In Jane Schoenbruns Teenage Sex and Death at Camp Miasma – Kamp Onrein, zeg maar – rijst het kwaad uit een troebel meertje. Daar woont ‘Little Death’, een chique term voor het orgasme, maar ook een seriemoordenaar die altijd hongert naar méér – in de jaren tachtig-slasher-reeks ‘Camp Miasma’, waar hij film na film zondige tieners aan zijn speer spietst.
Een Hollywood-studio heeft superfan en queer filmmaker Kris ingehuurd om nieuwe leven in die oude horrorserie te blazen. Camp Miasma staat in een kwade reuk als transfoob: ‘slasher’ Little Death was namelijk een verknipte transseksueel. Kris moet een woke reboot verzinnen – maar wel bloedig! – om ‘Camp Miasma’ weer respectabel te maken.
Ze gaat op bezoek bij Billy Preston, die ooit ‘final girl’ – het meisje dat overleeft – speelde in Camp Miasma en als kluizenaar op de oude filmset woont. Zij wordt gespeeld door Gillian Anderson: een leuk accent van Schoenbrun, ooit zelf een verstokt fan van Andersons hitserie The X-Files. Realiteit, film en fantasie vloeien al snel in elkaar over als Kris bij Billy haar seksuele blokkades onder ogen ziet. Het mondt uit in een hyperbolisch bloedballet vol campy genreclichés.
Teenage Sex and Death in Camp Miasma is manna voor cinefielen. Kris blijkt eerder een essayfilm over Hitchcocks Psycho te hebben gemaakt vanuit het perspectief van het half-transparante douchegordijn dat seriemoordenaar in travestie Norman Bates van zijn slachtoffers scheidt. Een sluwe metafoor: horror draait om transgressie, om het vervagen van grenzen tussen voyeur en exhibitionist, dader en slachtoffer, seks en dood. In de bioscoop kan je dat allemaal tegelijk zijn en ervaren.















