Strategisch is het een van de belangrijkste plekken ter wereld. De toegangspoort tot de Straat van Gibraltar en daarmee tot het hele Middellandse Zeegebied – en dus ook tot de Europese Unie: Ceuta (spreek uit: see-oeta). De Spaanse exclave, een uitstekende landtong aan de noordkust van Marokko, ligt op zo’n zeventien kilometer van het Spaanse vasteland. Vrijdag maakten de Spaanse autoriteiten bekend dat er in 24 uur zo’n 60.000 mensen via de zee in Ceuta waren aangekomen. Daarbij kwamen ten minste 43 mensen om het leven.
Dat aantal is duizelingwekkend gezien het feit dat Ceuta nog geen negentien vierkante kilometer groot is en er zo’n 85.000 mensen wonen. Het stukje land behoort tot de oudste bewoonde plaatsen rond de Straat van Gibraltar en is door de eeuwen heen vaak van eigenaar verwisseld. Sinds eind zestiende eeuw valt het onder Spaans bewind en in 1668 kwam het definitief onder Spaanse soevereiniteit te vallen.
Ceuta is, net als de andere Spaanse exclave Melilla, dat vierhonderd kilometer naar het oosten ligt, een autonome stad, met een eigen regering. Beide steden worden door Spanje gezien als integraal onderdeel van het Spaanse grondgebied. Dat zorgt geregeld voor diplomatieke spanningen: Marokko beschouwt Ceuta (dat zij Sebta noemen) als bezet Marokkaans grondgebied en laat met regelmaat weten dat het stukje land geografisch in Marokko ligt en dat de aanwezigheid van Spanje een overblijfsel is van diens koloniale overheersing.












