„Wil je hem zien?” Theodoula Fiakkou veert op van de bank. Vanuit de woonkamer van haar vriendin steekt ze door het bijkeukentje de tuin in, ze loopt een eindje de verkruimelende landweg langs Athienou op en dan wijst ze. Daar, tussen de cipressen en de palmbomen, daar ligt-ie: de grens.
Met het blote oog is niks te zien. Geen slagbomen, geen douane. Wie de kaart van Cyprus erbij pakt, valt ook weinig op. Hooguit een stippellijntje. Op de Cypriotische vlag wappert het eiland nog altijd als één ondeelbare natie, in zonnig oranje boven twee groene olijftakken.
Maar Theodoula Fiakkou en haar vriendinnen weten wel beter. Aan de andere kant van de onzichtbare grens zijn tienduizenden Turkse soldaten gestationeerd. Zij houden er de status quo in stand die ontstond toen Turkije het eiland binnenviel, in 1974, naar eigen zeggen om de Turkse Cyprioten te beschermen tegen de Griekse meerderheid. Een maand en drieduizend doden later was de scheiding een feit. En die is er nog steeds.
Je ziet misschien niets, maar wie hier doorloopt, loopt snel genoeg tegen een soldaat aan.
Zo ligt Cyprus, al ruim twintig jaar een EU-lidstaat, er sinds de jaren zeventig bij. De regering in hoofdstad Nicosia heeft in feite slechts controle over twee derde van het eiland. Het noorden valt daarbuiten. Dat wordt bestuurd als de Republiek Noord-Cyprus, een quasi-staatje dat alleen door Turkije wordt erkend. Ertussen ligt een bufferzone van soms meters en soms meerdere kilometers breed, bewaakt door blauwhelmen van de Verenigde Naties.














