Als spelende hondjes buitelen ze over het gras, de vleugelaanvallers van het Spaanse nationale elftal. Het jonge megatalent Lamine Yamal (19) met een stralende glimlach, de paar jaar oudere Nico Williams met zijn dreads speels dansend in de lucht. Zich heel even niet bewust van al die camera’s om zich heen. Van de meer dan tachtigduizend toeschouwers die vanaf de tribunes naar hen kijken.

Het is een moment van pure, ongeremde vreugde, zoals die ook bij teamgenoten te zien is. Bij invaller Mikel Merino, die zich zonder aarzeling achterover in het gras laat zakken. Bij basisspeler Mikel Oyarzabal, na een uur naar de kant gehaald, die in een hesje het veld weer in sprint alsof hij nog geen meter heeft gelopen. Even daarvoor hebben ze Spanje wereldkampioen gemaakt, voor de tweede keer in de geschiedenis.

Veel valt daar niet op af te dingen, op deze zonnige zomeravond in New Jersey. De ploeg van bondscoach Luis de la Fuente was dit toernooi een toonbeeld van stabiliteit en consistentie. Opbouwend dominant door het verfijnde positiespel, gecombineerd met dreigende loopacties. Verdedigend oppermachtig door het onvermoeibare afjagen van tegenstanders.

Ook Argentinië had daar geen antwoord op. De regerend wereldkampioen eindigde de finale, na 120 minuten voetbal, zonder schot op doel: 1-0.