Op een zonovergoten dinsdagmorgen in de meivakantie rolde mijn geliefde me op een verlaten industrieterrein in Almere een hal binnen. Daar zag ik ze, opgesteld in lange rijen. Sommige hadden vier wielen, andere drie, sommige waren breed en patserig, andere smal en elegant. Mijn partner reed mijn rolstoel langs de rijen tot mijn oog viel op een slank wagentje, glimmend petrol-groen, slechts één zijspiegel, de andere ontbrak. Dat vond ik een charmant gebrek, maar het was niet waar ik voor viel. Luna Victory E Pride las ik in glimmende letters op haar flank. Een naam als de schitterende unicorns waar mijn dochter mee speelde, of die van een adembenemende dragqueen. Haar wilde ik in mijn leven.

Enkele weken daarvoor, op de spoedeisende hulp, had ik stoned van de morfine geluisterd naar de uitleg van de arts over wat er te zien was op de röntgenfoto van mijn been. Ik was zojuist in het centrum van Amsterdam aangereden door een brommer. Ik kon de arts nauwelijks volgen: tibiaplateaufractuur, losliggende fragmenten, operatie, waarschijnlijk nooit meer hardlopen… „Dus het is niet best, als ik u goed begrijp?”, vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd en antwoordde met een scheef lachje: „Ken jij dat filmpje van die skiër, Lindsey Vonn, die haar been brak op de piste? Dat je hem zo zag bungelen in de lucht? Dat was erger. Daarna kom jij.”