„Mijn vader, ondernemend en flexibel, wilde naar Engeland; voor Engels had hij het hoogste hbs-cijfer. Maar de bezetting maakte dat onmogelijk. Dan maar, in 1941, naar het land van de taal met het laagste hbs-cijfer. Prima werk bij AEG Transformatorenfabrik in Berlijn, plus een leuke tijd.

Mijn moeder wilde haar leven niet blijven slijten op een vrachtboot op de Oder. En ‘het leven’, dat was in Berlijn. Als schipperskind met huishoudschool wist zij van aanpakken, beschikte over een hoge praktische intelligentie en leefde om te werken. Verder was zij best trots op haar Duitse roots, zodat het opmerkelijk was dat zij bij de AEG op de avances van ‘ein Ausländer’ inging.

Na ‘die Kapitulation’ werd oma’s boot door de Russen gevorderd. Pa trad op als kapitein – (schoon)vader inmiddels overleden – en verliet de boot als laatste in het zicht van de omsmeltovens (Rostock). Via een advertentie op straat voor ‘correspondent’ kwam mijn vader bij het Nederlandse Rode Kruis, taakopdracht: Nederlanders repatriëren. Voor hem een vanzelfsprekendheid, maar ik verbaasde me daar later over, omdat hij vrijwillig naar ‘de vijand’ was gegaan. Ook toen die taak door het ministerie van Defensie werd overgenomen kon hij in Berlijn aan de slag blijven.