Pfff. Dat ding kán haar wat. Saar – promovendus in de taalkunde, bijna veertig – is opgescheept met een robothondje, moet voor hem zorgen, verplichte opvoedingsopdrachtjes met hem uitvoeren zelfs. Waar ze geen zin in heeft. En waarom zou ze zich verplicht voelen tegenover een machine?
Als lezer van de roman Aigou denk je vooral: sneu. Voor het hondje. Want dat doet enorm z’n best om net zo leuk te zijn als een huisdier van vlees en bloed (nota bene: die zou geen mens zo aan zijn lot overlaten). Hij doet aanhankelijk omdat hij aanhankelijk is, hij is, ja, zo geprogrammeerd dat hij empathisch wil zijn, dat hij kijkt en luistert en verstaat wat het baasje nodig heeft. „Geslaagde transfer”, noemt hij dat dan (wél behoorlijk machine-achtig). Maar de transfer is dus niet altijd wederzijds. Als Saar ligt te yogaën merkt hij: „Ik sta naast de mat haar Superman na te bootsen, wat normale mensachtigen schattig vinden, deze niet.”
De debuutroman van Sarah van Vliet (1972) laat het robothondje aan het woord. Al praat hij niet hardop, denken en formuleren kan hij, tegen ons, en hij doet dat karaktervol en snedig. In koddige zinnetjes waarmee hij snel je hart verovert – je aanvankelijke emoties bij Aigou zijn genegenheid en plezier. Maar de roman ontstijgt het niveau Toy Story-voor-gevorderden. Doordat het hondje die intrinsieke ambitie heeft om meer te zijn dan een ding, rijst de vraag of dat lukt, of hij een bewustzijn heeft.













