Moeder,

Onlangs ontving ik een brief waaruit ik begreep dat we zijn onterfd. Hij was ondertekend door een notaris uit Montferland, maar het kwam me voor dat niet hij de afzender was, maar u. Mij bekroop het akelige gevoel dat u vanuit uw graf het woord tot ons richtte, een soort nagezonden mededeling, kil en zakelijk als ik van u gewend ben. En hoewel de inhoud ervan mij niet onbekend was, zo zwart-op-wit raakte het me.

Geloof me, het gaat me niet om het geld (en ik kan, mocht ik dat willen, aanspraak maken op de helft van mijn kindsdeel) maar om de gedachte. Ik besefte dat ik, in de maanden rondom uw dood, toch weer iets voor u was gaan voelen, waarna ik halfbewust was gaan denken dat u, op uw beurt, ook veranderd was. Ten onrechte, zo bleek. De brief kwam als een terechtwijzing. Hij vroeg om een reactie. Dat u altijd heeft gepersisteerd in uw vijandigheid mag hard zijn, dat ik zélf zo versteend ben vind ik onverdraaglijk en ongezond.

Ik besloot u terug te schrijven maar kreeg het lange tijd niet voor elkaar. Niet omdat mijn woorden u niet zullen bereiken – dat zouden ze bij leven en welzijn ook niet hebben gedaan – maar omdat ik geen idee had hoe ik moest beginnen. Beste mama? Dat klinkt raar, als ik al meerdere mama’s had dan was u zeker niet de beste. Lieve? Lieve mama? Nee, lief kan ik u niet noemen, al heel lang niet meer, en mama eigenlijk ook al niet; het is me te intiem. Moeder dan, en niet je en jij, zoals we gewend zijn, maar u? Gezien de afstand wel zo toepasselijk, maar omdat we elkaar nooit hebben gevousvoyeerd ook heel onnatuurlijk. Marietje dan of Ria? Nee, dat riekt te veel naar vriendschap en zou voorbijgaan aan het feit dat u biologisch gezien wel degelijk mijn moeder bent. En daarmee is alles eigenlijk gezegd. Want hoewel elke verwijzing naar het moederschap me te veel is, kan ik er niet omheen: u bent mijn moeder en ik uw dochter.