Een negentiger in een Amsterdamse seniorenflat zegt zich achter zijn eigen voordeur geregeld eenzaam te voelen „als een farao in een grafkelder”. Bekruipt dat gevoel hem, dan zoekt hij in zijn flat contact. Op de begane grond is een ontmoetingsruimte met een dagelijks program van workshops en activiteiten. „U neemt gewoon de lift en u bent er”, aldus de website van zijn flat. Maar opvallend genoeg gaat de man daar niet heen. Hij verkiest het zitje beneden in het halletje bij de lift waar doorgaans niemand zich lang ophoudt. Behalve hij. Hij neemt plaats, slaat zijn krant open, bladert erdoorheen en kijkt niet op of om. Totdat een medebewoner langsloopt. Dan knoopt hij, de krant opengeslagen, een praatje aan. Dat doet hij met elke passant opnieuw. Over het weer, de boodschappen, iemands nieuwe schoenen.

In een andere seniorenflat in Amsterdam doet een tachtiger iets soortgelijks. Wordt het hem thuis te stil, dan neemt hij de lift naar beneden en „snuffelt” rond in het winkeltje op de begane grond in de hoop iemand tegen het lijf te lopen. „En dan ga ik weer naar boven.”

Waar zijn deze mannen mee bezig? Waarom mijden zij de ontmoetingsruimte? Waarom dat geblader in een krant, dat gesnuffel in een winkeltje?