In vuur en vlam gezet door de naïeve melodie van Talking Heads-klassieker ‘This Must Be the Place’, valt het veld voor de Hotot-tent spontaan uiteen in groepjes lijndansers. Beheerst maar uitzinnig van de lol hoppen ze van links naar rechts, hardwerkend om de twaalfkoppige marching band van David Byrne bij te houden. Als de in oranje gehulde muzikanten ‘Everybody Laughs’ inzetten, golft het meer in de Groene Heuvels tevreden mee. „Love and kindness are the most punk things you can do right now”, zegt Byrne.

Dat vrolijke sentiment begint vrijdag al vroeg. Uit The Bizarre, een tropische loods met open dak en balkon, klinkt een uptempo Jersey-club-edit van Rihanna’s ‘Rude Boy’. Het komt uit de vingers van de Vlaamse Faisal, de geniale producer achter IJsland, de activistische act met rapper Sef (Yousef Gnaoui) en Abel van Gijlswijk. Faisal staat hoog boven de dansvloer, half verborgen achter planten, zodat mensen minder naar de booth en meer naar elkaar kijken. Dat werkt. Uitpuffen tegen de muur niet, die trilt zo hard dat je zonder pardon terug de dansvloer op wordt geveerd.

Op Nederlandse popfestivals groeide dancemuziek van randprogrammering uit tot een volwaardig programma met grote namen. Indiepop en -rock leverden terrein in, waarover genoeg wordt geklaagd (waar zijn de gitaren?!), maar zo’n breed programma voedt wel de politiek van plezier in de vorm van nieuwsgierigheid en experiment. Ja, misschien zijn Little Simz, The xx en Florence + The Machine geen ‘echte’ headliners, maar daartegenover staat wel een enorme hoeveelheid geweldige, volstrekt eigenzinnige artiesten.