De Nissan Qashqai stond als Nissan en als SUV in het hart van de seniorensamenleving, die van de ‘normale mensen’. Als jij niemand met een Qashqai kende, stond je buiten de maatschappij. Ik kende niemand met een Qashqai. Voor mij was die auto de andere wereld waarin iedereen lekker gewoon deed, iedereen 60+ en ANWB-lid was, iedereen een goudgerand pensioen met goudgerande camper had en alle stellen Piet en Nel heetten. Zich als levensgenieters identificerende mensen die je in kampeerprogramma’s tegenkwam als vitale definitie van het Nissanparadijs dat, zeg maar, het Zwitserleven van pensionado’s zonder V-halzen en parelsnoeren was.

Op tv zag je de Qashqai-bevolking dit geluk beleven op de camping dan wel tobbend voor de voordeelschappen bij de supermarkt, want te veel was nooit goed. Mouwloze hemden op te hoge leeftijd, verbleekte tattoos, Birkenstocks – stijlloze varkens als ondergetekende konden zich even estheten voelen. In het weekend, na de boodschappen, het onontkoombare stel identieke fietsen op de fietsendrager. Het stopwoord genieten. Grote kans dat de Nissan-mens in zijn werkzame bestaan ergens ‘mensenmens’ of ‘trotse opa’ in een timeline-bio had gedropt.

Hoe dubbelhartig zit ik hier te haten. Nooit ben ik als geboren outcast niet jaloers geweest op deze medeburgers, die zo zorgeloos in het gulden midden leefden van een Hollandse cultuur waar ik volgens mijn opvoeders zover mogelijk vandaan moest blijven. Als het geen Japanner was geweest, had nuchter Nederland de Qashqai uitgevonden.