Uitgaan in de auto is in Rotterdam een fenomeen: met een paar vrienden in de wagen, muziek hard aan, steeds hetzelfde rondje rijden in de binnenstad, door straten met veel publiek. Zien en gezien worden.

Het is dus even schakelen voor Rotterdammers. De stenige stad moet een groene oase worden, met zo min mogelijk auto’s. Toen de aanwezigen in linnen zomerpakken en fleurige zomerjurken tijdens de presentatie van het coalitieakkoord afgelopen week hard klapten voor de beoogde wethouders, dacht ik aan de vele autoliefhebbers in Rotterdam. In enkele straten met veel terrassen en cafés waar nu nog op pittig tempo doorheen wordt gecruised, mag de auto straks zelfs niet meer komen.

Wat zouden die toerende Rotterdammers daarvan vinden? Ze om hun mening vragen is lastig, juist omdat ze in de auto zitten, en daarin blijven. Vorige zomer probeerde ik dat samen met een collega voor een verhaal over de Zwart Janstraat, een geliefde straat om de uitlaat even te laten knallen. We hadden iedereen in de straat gesproken, behalve de mannen in hun auto’s. We besloten ze te laten stoppen door zelf maar voor de auto te springen. De terrasbezoekers gingen er eens goed voor zitten. Ik voelde me uitgelachen.