Wie aan een drol denkt, komt algauw uit bij de klassieke vorm: een spiraalvormig bergje, breed van onder, spits van boven. Maar er zijn uitzonderingen, schrijven twee Nederlandse natuurkundigen samen met een Franse collega in Nature Communications. Zeepierenpoep bijvoorbeeld – sliertige zandhoopjes die je bij eb in grote hoeveelheden op het strand kunt zien – zijn uniform qua opbouw, met bovenaan even grote lussen als onderaan. Die vorm blijkt afhankelijk van de poeprichting en van de zwaartekracht.

Het was Charles Darwin in hoogst eigen persoon die zich halverwege de negentiende eeuw al hardop vergaapte aan de vele hoopjes wormenpoep in het gazon achter zijn huis. Niet afkomstig van zeepieren maar van hun bekendere verwanten: regenwormen. Hij was zo gefascineerd door het fenomeen dat hij correspondenten wereldwijd vroeg om informatie over wormenpoep. De afbeeldingen die hij in zijn Wormenboek opnam van wormuitwerpselen uit India laten niets aan de verbeelding over. Kloeke torentjes, bovenaan net zo breed als onder.

De Nederlandse natuurkundigen hebben nu ontdekt hoe dat kan. Poep blijkt zich te houden aan de elastic rope coiling theory. Dat houdt in dat de vorm van de drol niet alleen wordt bepaald door de anatomie van het producerende lijf (denk aan lengte van de darmen of de werking van de kringspier) maar ook door de elasticiteit van het eindproduct en door de zwaartekracht. Die zwaartekracht blijkt aanvankelijk leidend, maar naarmate de drol zich opbouwt en de afstand tussen anus en feces afneemt, verschuift de balans en wordt de elasticiteit belangrijker – met steeds kleinere spiralen als gevolg, tonen de onderzoekers aan de hand van een formule aan.