Joris Beemster woonde vanaf zijn tiende in het piepkleine Zeeuwse dorpje Griete, pal aan de Westerschelde. De modder, de zee, eb en vloed, hij vond het vanaf jonge leeftijd „fascinerend”, vertelt hij in zijn werkkamer op de Wageningen Universiteit. Hij herinnert zich bijvoorbeeld hoe zijn laars eens vast bleef zitten in de modder, door het water werd meegenomen en vier maanden later weer aanspoelde, bezaaid met zeepokken. Als het water zich terugtrok uit het getijdengebied van de Schelde, bouwde hij daar zandkastelen. „En als het tij dan opkomt, hoop je dat-ie het houdt.”

Tegenwoordig zijn getijden Beemsters academische onderzoeksveld, waarop hij begin volgend jaar hoopt te promoveren. In riviermondingen is het verschil tussen eb en vloed sterk gegroeid, blijkt uit zijn onderzoek. Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel overal, maar menselijke ingrepen, zoals het aanleggen van dijken, polders, het baggeren van vaargeulen, hebben in riviermondingen een veel grotere invloed gehad op het rijzend water dan de opwarmende aarde. Dat is de opvallende conclusie uit zijn meest recente studie, die twee maanden geleden verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Geoscience. De snel stijgende vloedgolven, die het gevolg zijn van menselijke ingrepen, zijn schadelijk voor planten en dieren. Ze kunnen ook, zo waarschuwt Beemster, voor mensen gevaarlijk zijn.