Voor Europa is China altijd belangrijk, maar nooit urgent. De EU-top van afgelopen week liet dat opnieuw zien. Eerst ging het eindeloos over Rusland: wie zou er, als dat al verstandig is, namens Europa met Poetin moeten praten, wanneer, en met welke boodschap? Daarna volgde een vertrouwd begrotingsgevecht. Het zuinige kamp, waaronder Nederland, hamerde erop dat de Europese begroting vooral klein moet blijven. Zuid- en Oost-Europa willen vasthouden aan landbouw en regionale steun. Een herhaling van zetten, met weinig zicht op hoe Europa zijn nieuwe prioriteiten denkt te financieren. Het was vooral een procedureel debat dat verdeeldheid blootlegde, juist nu Europa kracht en eenheid moet uitstralen.
Steven Everts is directeur van het EU-Instituut voor Veiligheidsstudies.
Pas laat op de avond – het was al na elven – kwamen de leiders toe aan wat de hoofdmoot had moeten zijn: China. Op de agenda heette dat „concurrentievermogen en economie” omdat Europa nog altijd moeite heeft hardop te zeggen waar het werkelijk over gaat. Maar het ging natuurlijk over China. Iedereen was moe, het debat was al twee keer uitgesteld en opnieuw kwam er weinig uit.
Dat is een gemiste kans.
Europa heeft dringend een serieus debat over China nodig. Niet als technisch gesprek over tarieven, subsidies of markttoegang. China raakt immers alles tegelijk: industriebeleid, defensie, technologie, kritieke grondstoffen en handel. Dit is geopolitiek en dus Chefsache.











