Nederland-Marokko was voor sommigen niet zomaar een voetbalwedstrijd. Ik hoorde tijdens het duel mijn buren schreeuwen en werd daar om 05.00 uur wakker van. De Marokkaans-Nederlandse schrijver Abdelkader Benali vertolkte een vergezochte visie over deze wedstrijd: een allegorie van diaspora, kolonialisme, onderdrukking en verzet. Deze krant gaf hem hiervoor zelfs een hele pagina. De westerling werd door de gelauwerde auteur via deze WK-wedstrijd in de beklaagdenbank gezet. Benali zag in het spelletje diepe sociaal-culturele betekenissen waarbij, zoals zo vaak bij hem, de migrant een underdog is. Ik ergerde me er groen en geel aan.
Nou is Benali geen kleine jongen. Hij heeft een serieus oeuvre, een indrukwekkende prijzenkast en een cv om trots op te zijn. Hij is dus het toonbeeld van een geslaagde migrant. Ik kan niet in zijn schaduw staan, maar één ding hebben we gemeen: we zijn geïntegreerd. Daar heeft hij vast en zeker hard voor gewerkt, net als ik. Vijftig jaar geleden stonden Turkse en Marokkaanse kinderen al bij hun geboorte met 1-0 achter. Maar Nederland bood kansen. Wie zijn best deed, kon met vlag en wimpel slagen. Voorbeelden genoeg: onze minister van Defensie en eerste vicepremier is de Turks-Koerdische Dilan Yeşilgöz, de ceo van reisorganisatie Corendon is Günay Uslu, een kind van Turkse gastarbeiders. Kortom: iedereen die zijn best doet kan succesvol zijn.















