Deze week zette de Gezondheidsraad een stap die twee decennia geleden ondenkbaar leek. Het advies is niet meer dat één of twee glazen alcohol per dag prima is. In één generatie is de norm omgeslagen: hoe minder, hoe beter. Alcohol is niet per se gevaarlijker geworden, alleen is de wetenschap nu stappen verder.
Vroeger keken onderzoekers vooral naar hart- en vaatziekten. Tegenwoordig is aangetoond dat alcohol het risico op verschillende vormen van kanker verhoogt. De Gezondheidsraad vindt dat we het minder vanzelfsprekend moeten maken: niet elk diner, elke verjaardag en elke zege vieren met een glaasje. We moeten het juist „denormaliseren”.
Maar dit is eigenlijk niet nieuw. Al in 1988 plaatste IARC, het kankeronderzoeksinstituut van de Wereldgezondheidsorganisatie, alcohol in de hoogste categorie kankerverwekkende stoffen, naast tabak en asbest.
De sociale norm ten aanzien van drinken veranderde daarna niet. Integendeel. Over roken bestaat geen discussie meer. Bij een sigaret denken mensen aan longkanker, gele tanden, een pakje met afschrikwekkende foto’s. Bij een glaasje wijn denken we nog steeds aan een terras, een mooi diner, vrienden, gezelligheid, vakantie. Ik ook. Ik houd van wijn. Goede wijn. Een bourgogne, een margaux. Ik word er gelukkig van. Wijngebieden bezoek ik graag. Welk klimaat, welke bodem, welke druif ik precies dronk? Dat soort details vergeet ik deels. Maar de wijn zelf registreer ik in mijn app.






