Alcohol is overal. Op de menukaart, in de supermarkt, in je ooghoek wanneer je langs een terras wandelt. Of anders wel op posters in bushokjes. Zelf in de krant die je nu vasthoudt of de site waarop je dit leest, wordt regelmatig geadverteerd voor alcohol of „een masterclass wijn drinken voor beginners”.

Je zou bijna vergeten dat alcohol een gifstof is. Wetenschappers brengen ethanol (de scheikundige naam) in verband met meer dan tweehonderd lichamelijke en mentale aandoeningen. Eén glas vergoot al de kans op maag-, lever- en keelkanker. En dan de verkeersdoden, het uitgaansgeweld, het verzuim op werk. Het RIVM schatte de maatschappelijke kosten in 2013 op 2,3 tot 4,2 miljard euro – inkomsten uit accijnzen meegerekend.

Preventie samen met de industrie leidt tot vertraging, verwatering van maatregelen en een focus op individuele verantwoordelijkheid

De overheid moet alcohol daarom „denormaliseren”, concludeerde de Gezondheidsraad deze week. „Er is geen veilige ondergrens voor alcohol”, schreef de Raad in een adviesrapport aan het ministerie van Volksgezondheid, Sport en Wetenschap.

Maar hoe maak je iets wat zo normaal is – ‘biertje, glaasje wit of glaasje rood?’ – abnormaal? Kan de overheid dat wel afdwingen, wanneer alcohol zo stevig is verankerd in „sociale en culturele tradities” als carnaval en Koningsdag, zoals de Gezondheidsraad zelf schrijft?