Het voordeel van de hitte van afgelopen week is dat de zomer van 1976 dan eindelijk vergeten kan worden. Na de Tweede Wereldoorlog was die zomer het belangrijkste wat mijn ouders hadden meegemaakt.
We waren op vakantie in Rotterdam. Na de beklimming van de Euromast, toen een grote attractie, ging het naar vliegveld Zestienhoven voor een rondvlucht. Met z’n zessen op elkaar gepropt in een capsule in de brandende zon. De temperatuur moet in de kleine ruimte tot boven de vijftig graden zijn gekropen.
Mijn moeder: „Het zweet viel in druppels van het plafond. Het was net regen.”
Eenmaal in de lucht mocht mijn vader de stuurknuppel hanteren en vanaf dat moment ging het in een rechte streep naar beneden. Het toestel zou oververhit zijn geweest, door condensvorming bleef het besturingssysteem ‘steken’. De piloot panikeerde, mijn moeder verweet mijn vader het toestel te hebben gesaboteerd, mijn broer en zus begonnen te huilen, tante Ied, de zus van mijn moeder die ook mee was, dat was vaker zo omdat ze weduwe was, jammerde hardop. Alleen ik vond het duidelijk hoorbaar een avontuur, iets waarvoor ik na de veilige landing een draai om mijn oren heb gehad.
Later zei mijn moeder: „De doodsnood haalde tegen de verwachting in niet het beste in ons naar boven.”















