In het artikel WK van migranten: kwart van de voetballers speelt niet voor geboorteland uit NRC (16/6) wordt mooi uiteengezet hoe de multi-etnische samenleving zichtbaar is binnen de nationale teams van landen als Frankrijk of Nederland: „Het weerspiegelt de moderne geschiedenis van landen die gekoloniseerd werden en weer bevrijd, van migrantengemeenschappen die opbloeiden in verre landen, van gedwongen verplaatsingen door oorlogen en armoede, en toeval.”
Dezelfde weerspiegeling zie ik terug als geschiedenisdocent in mijn derde klassen bij misschien wel het belangrijkste project dat wij ze als sectie geschiedenis laten uitvoeren: het familiewerkstuk. De grootouder vertelt en de antwoorden blijken verrassend. Langzaam daagt het besef dat opa of oma ook jong zijn geweest.
Bij het nakijken van de werkstukken reis ik de wereld rond. Een leerling vertelt over opa die heeft gevochten in het Indiase leger, in 1961 tegen de Portugezen en in 1965 tegen Pakistan. Een ander blijkt af te stammen van een Chinese krijgsheer wiens familie naar Taiwan vluchtte na Mao’s machtsovername, maar zelf weigerde te vertrekken en dat met de dood moest bekopen.
Ik lees over een opa die zich de honger van de Hongerwinter nog goed voor de geest kan halen, ook al was hij pas vier. Een ander vertelt over het familietrauma dat zijn Indonesisch-Nederlandse familie van oma’s kant opliep toen ze gedwongen terug moesten verhuizen vanuit Nederlands-Indië. Een Zuid-Afrikaanse moeder vertelt hoe ingewikkeld de periode voor en na de afschaffing van de apartheid was voor de Afrikaners. Deze open wond is de reden dat de leerling niet haar grootouders interviewde, maar haar moeder.








