Terwijl overal in Europa de volkspartijen een zieltogend bestaan leiden, heeft Nederland er sinds kort een ‘brede volkspartij’ bijgekregen. Het CDA kwakkelt al zestien jaar, de VVD is gereduceerd tot de omvang van de jonge heer Wiegel en de PvdA is ter ziele. Maar de nieuwe fusieformatie Pro noemt zich in zijn beginselprogramma onbekommerd een „brede volkspartij”. Dat getuigt van ambitie. Want als er afgelopen kwart eeuw iets onloochenbaar werd, dan is het dat VVD, CDA en PvdA juist hun dominante rol zijn kwijtgeraakt. Waren de drie volkspartijen in 1989 goed voor meer dan vier vijfde van de Tweede Kamerzetels, nu is hun aandeel, GroenLinks meegerekend, gehalveerd tot 40 procent.
De VVD heeft de schade met meest beperkt gehouden. Ze is na de machtsoverdracht van premier Mark Rutte aan Dilan Yesilgöz in 2023 slechts 35 procent van haar zetels kwijtgeraakt. Het CDA is door het oog van de naald gekropen. Vanaf de laatste verkiezingen met premier Jan Peter Balkenende in 2007 heeft het ruim de helft moeten inleveren. De rampspoed door Pieter Omtzigt in 2023 is hierin niet verdisconteerd. De PvdA is verdwenen. Ten opzichte van haar laatste premier Wim Kok in 1998 en de net-niet-premiers Wouter Bos (2003) of Diederik Samson (2012) verloor ze bij haar finale zelfstandige deelname in 2021 maar liefst 76 tot 80 procent.









