Het Orlando Festival in Limburg, dat was er al in 1982. In 1997 kwam het Delft Chamber Music Festival erbij. En dat was het dan wel zo’n beetje in de 20ste eeuw, wat betreft kamermuziekfestivals die door musici zélf opgericht en geprogrammeerd werden. Voor de rest was je voor je kamermuziekfix vooral afhankelijk van concertseries in de concertzaal.

Maar dat is de afgelopen vijfentwintig jaar nogal veranderd. Vanaf Kamermuziekfestival Schiermonnikoog (2001) kregen veel meer musici de geest: Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht, het Stiftfestival, Storioni Festival, de Cello Biënnale, ZOOM! Kamermuziekfestival, September Me, Blaricum Music Festival, Kamermuziekfestival Eibergen, Klassiek achter de Duinen, Kamermuziekfestival Groningen, Batenburg Baroque Festival, HearAndNow Festival, Noordwijk Kamermuziekfestival… om er eens dertien te noemen, schoten uit de grond. En dan vallen festivals van andere organisatoren (Grachtenfestival, Oranjewoud, Wonderfeel) nog buiten deze beschouwing. Wat is er voor musici zo aantrekkelijk aan een eigen festival? En kan het publiek wel zoveel festivals aan?

„De drive om zelf bepaalde musici en persoonlijkheden samen te brengen.” Dat was voor violiste Eva Stegeman (54) de grote reden om in 2003 Internationaal Kamermuziekfestival Den Haag (later Classical Encounters) op te richten. Kamermuziekuitvoeringen kun je grofweg in twee takken verdelen: die van de vaste formaties, strijkkwartetten en pianotrio’s die al jaren bij elkaar zijn en hun spelen tot in de puntjes geperfectioneerd hebben. En de ad-hoc formaties. Die laatste hoor je vaak op festivals: door de programmeur voor dat ene concert samengestelde ensembles. „Geweldige mensen in de snelkookpan gooien”, noemt Stegeman dat. „Dat is een andere, spannende route naar bijzondere uitvoeringen.” Classical Encounters overleefde de coronaperiode niet.