Het gaat daarbij volgens de Rekenkamer om aangiften en meldingen van burgers en bedrijven van onder meer geweldsmisdrijven, het produceren van harddrugs en identiteitsfraude.

Ongeveer zevenduizend aangiften van ernstige misdrijven werden direct afgewezen. In zo'n drieduizend gevallen werd de aangifte wel in behandeling genomen, maar werd het onderzoek na verloop van tijd stopgezet vanwege een gebrek aan capaciteit bij de politie of het Openbaar Ministerie.

Het is volgens de Rekenkamer niet eenvoudig te beantwoorden waarom de aangiften geen vervolg hebben gekregen. De politie zou te veel op haar bord krijgen en niet alles kunnen doen, maar bij drie kwart van het opsporingswerk geen zicht hebben op wat wel en niet wordt gedaan en waarom.

Daarnaast zijn de verschillen tussen de regionale eenheden groot. Door overbelasting bij regionale en landelijke eenheden komt ook steeds meer bij basisteams van de politie terecht. De inspectie waarschuwde eerder al dat die teams onvoldoende kennis hebben om dit soort zaken op te pakken.

Volgens de Rekenkamer is ook de registratie van de opsporingsonderzoeken bij de politie niet op orde. Van de opsporingsonderzoeken die de politie zelf start wordt niet bijgehouden wat ze hebben opgeleverd. Zo hebben de minister van Veiligheid en de korpschefs geen zicht op welk deel van hun totale begroting aan opsporing wordt besteed. Daardoor kunnen zij daarover geen keuzes maken of bijsturen.