Komt de strafrechtspleging ooit nog op orde, of zet de trend van langzame verstikking, afnemende effectiviteit en vruchteloos klagen nog een decennium door? De Algemene Rekenkamer kwam vorige maand met harde kritiek. Vorig jaar noemde de Rekenkamer de prestaties van de strafrechtketen onvoldoende, dit jaar kreeg het ‘verbeterplan’ van de minister diezelfde kwalificatie. Het plan bevat geen analyse, geen planning, geen concrete doelen.

„Al jaren halen de organisaties in de strafrechtketen hun eigen normen niet voor tijdigheid van zaken die de organisaties zelf extra belangrijk vinden”, aldus de Rekenkamer. Dan gaat het dus om jeugd- en zedenzaken, waarin geen enkele norm is gehaald.

De Tweede Kamer gaf vorig jaar dan ook geen goedkeurende verklaring af over de begroting. Begin dit jaar verzocht de Kamer het kabinet een ‘deltaplan’ voor justitie op te stellen. Er moest een fundamentele herziening van de strafrechtketen komen, met extra aandacht voor de aanwijzingsbevoegdheid van de minister, van wie kennelijk ingrijpen wordt verwacht.

De Raad voor de Rechtspraak ziet er niet naar uit. ‘Aanwijzingen’ van de minister zijn al snel in tegenspraak met de onafhankelijkheid van de rechter. Tegelijk erkent de rechtspraak nu de jarenlange ‘impasse’, een stap vooruit na jarenlang vergoelijkend proza over ‘op de goede weg zijn’. Alleen wordt het probleem meteen op het bord geschoven van de Staten-Generaal, die dit jaar dertien nieuwe wetten over de muur gooiden (en er nog vijfhonderd hebben liggen).