Plots draagt Erik Pedersen alleen nog een zwarte boxershort. Hij gebaart dat ook de journalist van NRC zich moet ontkleden, „behalve je onderbroek”. Een standaardprocedure om zijn varkensstal binnen te mogen. „De kans bestaat dat je via je kleding infecties binnenbrengt”, zegt de 35-jarige varkensboer bij Vrå, een dorp boven in Jutland, de noordelijkste uithoek van Denemarken. Zijn trouwring houdt Pedersen wel om, die krijgt hij na elf jaar huwelijk niet meer van z’n vinger, zegt hij met een lach.

De buitendeur van zijn varkensstal gaat alleen open als een sensor de vingerafdruk herkent van Pedersen of een van zijn zeven medewerkers. Zij komen uit Nepal, uit Oekraïne. Denen, „met hun negen-tot-vijf-mentaliteit”, hoeft Pedersen niet. In het halletje naar de stal, voorzien van drie douches met gordijntjes en een stel wasmachines, trekt Pedersen een groen shirt, een zwarte overall en rubberen klompen aan. De verslaggever krijgt dezelfde plunje, en moet op een aanwezigheidslijst aangeven de voorbije 24 uur niet in een andere varkensstal te zijn geweest. Pedersen smeert zijn telefoon in met desinfectiemiddel. Dan zijn alle procedures doorlopen en opent de boer de deur naar ‘zijn’ 1.257 zeugen en duizenden biggen.