Was vroeger alles beter? Het werk in de vleesverwerkende industrie in ieder geval wel. Althans, dat begreep ik de afgelopen dagen van mensen die ik sprak. Vroeger waren mensen medewerkers trots op hun baan in een vleesfabriek, vertelden die bronnen. Vlees uitbenen was een waar ambacht. Wie op een feest kon vertellen dat die bij een bedrijf als vleesverwerker Vion werkte, deed dat met een rechte rug.

Zou het kunnen dat de arbeidsomstandigheden achteruit gingen sinds vleesbedrijven op grote schaal goedkope arbeidskrachten uit het buitenland inzetten? Die vraag wierp een van de bronnen op. Arbeidsmigranten zijn immers minder goed georganiseerd (ze hebben verschillende talen en achtergronden, doen het werk vaak tijdelijk) en worden daarom misschien minder snel gehoord door de werkgever?

„Het imago van de vleesverwerkende industrie is niet zo best”, schrijft sectoreconoom Samantha Reilly van ING in een rapport. Dat is nogal zacht uitgedrukt. Want inmiddels zijn de arbeidsomstandigheden in de sector rampzalig genoeg om een liberale minister van Sociale Zaken zo ver te krijgen om hardhandig in te grijpen.

In veel sectoren die leunen op uitzendkrachten (denk ook aan de tuinbouw en logistiek) komen misstanden voor. Ook daar raken arbeidsmigranten snel dakloos. De werkgever is vaak ook de huisbaas en bij ontslag verliest de arbeidsmigrant dus ook de woonruimte. Maar, zo bleek uit onderzoek dat voormalig minister Eddy van Hijum (Sociale Zaken, NSC) liet uitvoeren: in de vleessector zijn de misstanden „stelselmatig”. Denk aan uitzendbureaus die werknemers ten onrechte op staande voet ontslaan om goedkoper uit te zijn. Of uitzendkrachten die hun salaris (gedeeltelijk) niet uitbetaald krijgen of moeten doorwerken terwijl ze ziek zijn.